1905 - 1927
Rotterdam aan het begin van de twintigste eeuw: een stad die het gebied besloeg tussen de Coolsingel, Goudsesingel, Boompjes plus de net ingelijfde gemeenten Kralingen en Delfshaven. Zeker die laatste was nog een aparte kern; de Binnenweg liep door weilanden en landerijen. Op Zuid, rond Katendrecht en Feijenoord, ontstond de eerste stedelijke bebouwing.
De afstanden binnen het stadsgebied waren goed beloopbaar, alleen de gegoede burgerij liet zich per tram vervoeren. In navolging van Haarlem (1899), Amsterdam (1900) en Den Haag (1904) reed in 1905 de eerste elektrische tram door Rotterdam. Voor de aanleg van elektrische lijnen werd een nieuwe maatschappij opgericht: de Rotterdamsche Elektrische Tramwegmaatschappij (RETM), gesticht met Belgisch kapitaal.

Eerste elektrische tramlijn
De eerste elektrische lijn liep tussen Kralingen (Honingerdijk) en de Westerlaan (Park) via het Beursplein. Kortom: stadsdelen waar de gegoede burgerij woonde of werkte. Op 18 september 1905 werd de lijn officieel in gebruik genomen. De Belgische invloeden kwamen tot uitdrukking in het eerste materieel. De eerste twintig trams, de serie 1-20, zijn gebouwd door de firma Metallurgique in Henegouwen. De blauwgeschilderde trams met sierlijke biezen hadden net als de paardentrams open balkons en de bestuurder stond in weer en wind. Een pui zou zijn uitzicht alleen maar belemmeren, was de heersende gedachte. Het open balkon in combinatie met de hogere snelheden van de elektrische tram leverde in de praktijk veel problemen op. Binnen enkele jaren werden bestaande en nieuwe trams voorzien van een balkon dat met glas was afgeschermd.
Nieuwe lijnen, nieuw materieel
De uitbreiding van het tramnet nam een grote vlucht. Op 15 oktober kreeg Rotterdam zijn tweede lijn (van station DP naar het Noordereiland), tien dagen later gevolgd door lijn vier (Willemsplein-Oude Hoofdsplein via DP en station Maas). In november kwam lijn 3 in dienst van de Boompjes naar het einde van de bebouwing aan de Benthuizerstraat. Op 17 december kreeg Rotterdam tegelijkertijd de lijnen 7 en 8.
De uitbreiding van het netwerk vereiste de aanschaf van nieuw materieel, wederom gebouwd bij de zuiderburen. In 1907 werden voor het eerst trams in Rotterdam gebouwd en wel bij de meubelfabriek van de firma Allan in Kralingen. Een groot deel van de in onbruik geraakte paardentrams werd omgebouwd om als bijwagen achter de elektrische trams dienst te doen. Met de aanleg van de lijnen 5, 6 en 9 in 1907 en 1908 was in Rotterdam een tramnet ontstaan dat nog altijd de basis vormt van het huidige netwerk.

Uitbreiding van tramnet
Met de aanleg van de lijnen 5, 6 en 9 in 1907 en 1908 was in Rotterdam een tramnet ontstaan dat nog altijd de basis vormt van het huidige netwerk.
In de jaren die volgden hield de uitbreiding van het tramnet gelijke tred met de sterke groei van de stad in noordelijke en westelijke richting. De firma Allan bouwde de eerste serie Parkwagens en de kleur van de trams werd tussen 1912 en 1915 gewijzigd van blauw naar crème. Na een pauze van vier jaar werd het tramnet op Zuid op 3 oktober 1921 uitgebreid met een lijn 13. De aanleiding was de bouw van Tuindorp Vreewijk. Nog voor het aflopen van de concessie van de RETM in 1927 nam de maatschappij de interlokale paardentramlijn naar Hilligersberg over van de Schielandse Tramwegmaatschappij, om die lijn vervolgens te elektrificeren. In 1926 werden de tramlijnen op de noordelijke maasoever gekoppeld aan die op de zuidoever door de aanleg van tramsporen op de brug over de Koningshaven.
In een tijdsbestek van twintig jaar nam de elektrische tram bezit van het uitdijende Rotterdam. Alleen een paardentramlijntje naar Overschie overleefde.

Omstreeks 1910 waren negen tramlijnen in dienst, terwijl de tiende lijn – lijn 10 – in aantocht was.