1927 - 1940
Op 15 oktober 1927 neemt de gemeente de exploitatie van de tram over van de RETM. Rotterdam telt acht miljoen gulden neer voor de overname van 221 motorwagens, 106 dichte en 40 open bijwagens, de remises Kralingen, Delfshaven, Hillegersberg, Schiekade en Charlois en het hoofdkantoor en de werkplaats aan de Isaäc Hubertstraat. 1903 man personeel krijgt de status van gemeenteambtenaar.
Rotterdam nam de exploitatie van de tram in eigen handen omdat er in de visie van het gemeentebestuur in de jaren twintig niet was geïnvesteerd, waardoor de ontwikkeling van het openbaar vervoer in de Maasstad achterbleef. Het gebrek aan investeringen was geen onwil van de RETM, maar was een gevolg van hevige concurrentie met zogenaamde ‘wilde buslijnen'. Kleine ondernemingen exploiteerden busdiensten die reizigers weglokten. Dr. ir J.G.J.C. Nieuwenhuis trad aan als directeur van de gemeentelijke Rotterdamsche Elektrische Tram (RET).

Op de Coolsingel is het een drukte van belang. Onder andere passeert er een Delmez-motorwagen met een vierramer bijwagen en op lijn 9 rijdt een drieramer met een vierramer bijwagen.
Modernisering trambedrijf
Met nieuw elan werden plannen gemaakt om het bedrijf te moderniseren. Om het materieelpark bij de tijd te krijgen werd de bekende vierasser ontwikkeld, waarvan in de jaren 1929 tot 1931 niet minder dan 170 motorwagens werden gebouwd en twintig bijpassende bijwagens. Okergeel werd de nieuwe huiskleur van de RET.
In 1931 werd het oudste materieel afgevoerd. Enkele exemplaren uit de allereerste serie Rotterdamse elektrische trams werden apart gezet voor museumdoeleinden. Daarmee was directeur Nieuwenhuis de grondlegger van de verzameling trams die nu door de stichting RoMeO wordt beheerd.

Vervoer tijdens de crisisjaren
Een rapport aan de gemeenteraad beschreef grootse plannen om het Rotterdamse tramnet verder te ontwikkelen. In 1929 dwong Rotterdam alle particuliere stadsbuslijnen om hun activiteiten te staken. Een deel van de plannen van de RET werd uitgevoerd, maar de economische crisis die in 1931 uitbrak, gooide roet in het eten. Het vervoer liep drastisch terug en aan inkrimping van het lijnennet viel niet te ontkomen. In 1930 had dat lijnennet een hoogtepunt bereikt: 25 lijnen met een totale lengte van 196 kilometer.
Het aantal passagiers in de crisisjaren nam flink af. Toch werd in deze tijd de waarschijnlijk drukste dag van de RET genoteerd. Dat was op 18 juni 1932 toen de Graf Zeppelin vliegveld Waalhaven aandeed. Op lijn 2 reden toen veertig tramstellen een tweeminutendienst, het maximum aan dienstwagens dat ooit in Rotterdam op een lijn heeft gereden.

In de jaren twintig werd het tramverkeer flink beconcurreerd door de zogenaamde wilde bussen. Ze staan in lange rijen om de Maasbruggen over te kunnen. Met het overgaan van de tramexploitatie in gemeentelijke handen is het tijdperk van de wilde bussen ook voorbij.
10 mei 1940
Het aantal passagiers zat in de lift en de crisis was voorbij, maar toch was de RET in 1939 genoodzaakt opnieuw te snijden in de diensten. In verband met de oorlogsdreiging ging Nederland over tot mobilisatie en werd RET-personeel opgeroepen voor militaire dienst. Allerlei uitbreidingsplannen gingen in rook op toen in mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen. Met het bombardement op het centrum van Rotterdam dwongen zij de Nederlandse capitulatie af. Het oude Rotterdam was in één klap voorgoed verleden tijd.

Vanaf het Witte Huis is goed te zien hoe grondig de binnenstad is vernield. Op de voorgrond het station Beurs waarvan slechts de muren nog overeind staan.