1940 - 1945

Bij de Duitse inval op 10 mei 1940 werd het tramverkeer geheel stilgelegd. Trams keerden terug naar de remises of werden in paniek door personeel achtergelaten. Bij het bombardement op Rotterdam vier dagen later werd de infrastructuur van het trambedrijf ernstig beschadigd. 28 kilometer bovenleiding, een vijfde van het net, werd totaal verwoest. De sporen kwamen wonderwel onbeschadigd tevoorschijn bij het puinruimen.

Ook het rollend materieel had het bombardement goed doorstaan.De RET wilde het tramverkeer zo snel mogelijk weer op gang brengen. Terwijl in het centrum nog lichamen werden geborgen en puin geruimd, werden de eerste trajecten buiten het centrum weer op gang geholpen met hulp van de trambedrijven van Den Haag en Amsterdam. Een week na het bombardement reden er voor het eerst weer trams.

 

De eerste tramlijn die terugkeerde in het centrum was tramlijn 10 op de route Hillegersberg - Spangen. Op de rechter afbeelding is men bezig met het herstel van de bovenleidingen.

Herstel van de tramroutes
Op 25 mei om 18.00 uur 's avonds was de eerste route door het verwoeste centrum klaar voor gebruik. Op de ritten door de binnenstad stopte de tram niet en bleven de balkondeuren gesloten. Een kleine maand later was het tramverkeer in de binnenstad goeddeels hersteld.

Het herstel van de tramroutes betekende niet dat de situatie weer was als voor de oorlog. De binnenstad bestond niet meer, geen mens hoefde in die kale vlakte te zijn. Aan de rand van het centrum verrezen noodwinkelcentra, zoals winkelcentrum Blijdorp. Plannen voor de wederopbouw lieten niet lang op zich wachten. In het nieuwe centrum van Rotterdam zouden brede verkeerswegen worden aangelegd en watergangen met puin worden gedempt. De tram zou voortaan een eigen, vrije baan krijgen.

 

Bezuinigingen
In de loop van de oorlog nam het aantal trampassagiers enorm toe wegens het gebrek aan andere middelen van vervoer. In 1943 vervoerde de RET 153 miljoen passagiers. In 1942 begon het gebrek aan personeel de RET parten te spelen, waardoor extra diensten op drukke trajecten kwamen te vervallen. In datzelfde jaar werd RET-directeur Nieuwenhuis vervangen door een lid van de NSB. Omdat 257 mannelijke conducteurs in Duitsland te werk waren gesteld, wierf de RET vrouwen om kaartjes te verkopen. Bankjes werden verwijderd uit trams om meer staande passagiers te vervoeren, nu ook op elektriciteit werd bezuinigd.

Op 7 september 1944 reed de laatste bus in Rotterdam en per 1 december kwam ook het tramverkeer stil te liggen. Tot 9 april 1945 reden trams nog voor het transport van voedsel, daarna was er geen elektriciteit meer.

 

In de bijwagens werd de rij enkele bankjes verwijderd om een groter aantal staanplaatsen beschikbaar te krijgen. Ook werden vrouwelijke conducteurs ingezet.

Gevorderd materieel
Om het tekort aan trams in de zwaar gebombardeerde Duitse industriesteden aan te zuiveren, vorderde de bezetter twintig procent van elke tramserie. 69 tramwagens, 18 bussen en 7 dienstvoertuigen gingen op transport naar Duitsland. De voertuigen kwamen terecht bij de trambedrijven van Bremen, Dortmund, Kassel, Offenbach en Bremerhaven. Op één vierasser na keerden alle trams terug, al waren sommigen het herstellen niet meer waard.

In 1946 kwam een hele reeks Parkwagens terug die in Kassel dienst hadden gedaan. Er waren nog drie ruiten heel gebleven. De trein staat opgesteld in Utrecht, 9 mei 1946.